Year: 1943
Type: article
Abstract: De titel van dit werk van 217 bladzijden mag niet een geschiedenis doen verwachten der Nederlandsche kaapvaart in de Amerikaansche wateren; te dezen aanzien helpt de schrijver reeds in zijn Inleiding den lezer uit den droom.Over de zeeën traden de onzen in hun strijd tegen de Iberische en Britsche wereldrijken op, in de gedaante van "kapers op de kust", ook dan wanneer er geen sprake was van die speciale krijgsbedrijven, waartoe in vroeger tijden particuliere vrijbuiters door patenten of commissies geautoriseerd werden, van de uitoefening dus van het buitrecht tegenover de vijandelijke koopvaardij.Ook bij de verovering van een deel van Brazilië, van het eiland Curacao en van Willoughby's Suriname, waren wij eigenlijk kapers, meent blijkbaar Mr. van Balen, een begripsverruiming welke de lezer te aanvaarden heeft.De geschiedenis van wat in des schrijvers gedachtengang ons kaperbedrijf zou kunnen heeten wordt ons voorgezet in den vorm van een verkorten inhoud der voor en na bij de firma Martinus Nijhoff verschenen bewerkingen van een aantal zeventiendeeeuwsche boeken en journalen, voor zoover betrekking hebbend op de acties in de nieuwe wereld en ter westkust van Afrika.Naverteld wordt dus hetgeen er ter zake te vinden is in een vijftiental door de Linschoten-Vereeniging uitgegeven werken -waaronder vooral De Laet's Iaerlyck verhael -en in Van Baerle's Latijnsche relaas der gebeurtenissen in Brazilië tijdens het achtjarig bewind van Joan Maurits van Nassau.(Nederlandsche vertaling van wijlen S. P. L' Honoré Naber).De oudste der door Mr. Van B. behandelde exploiten zijn die van omstreeks 1600, terwijl 268 W. R. MENKMAN zijn boek eindigt met de beschrijving van den Zeeuwsch-Hollandschen tocht van 1672-1674; in deze periode van ongeveer driekwart eeuw heeft zich inderdaad onze actie als "kapers op de kust" afgespeeld.De schrijver rechtvaardigt zijn publicatie met een beroep op de onbekendheid der stof bij het groote publiek in Nederland -en niemand zal durven beweren dat zelfs de ontwikkelde Nederlander over het algemeen veel kennis met zich omdraagt van onze zeventiende eeuwsche oorlogsdaden in Amerika en West Afrika, dan wel elders, zelfs van die in Den Oost (p.12).Of de door Mr. Van B. bedoelde speciale historische letterwijsheid bij ons te lande geringer is dan onder andere volken met een koloniale en een zeegeschiedenis?.Allicht niet; ook elders zal de belangstelling voor de materie in kwestie wel beperkt blijven tot een klein aantal vakkundigen en amateurs.In dit verband moge er de aandacht op gevestigd worden dat onze Linschoten-Vereeniging een tiental jaren na haar oprichting een ledenlijst kon publiceeren van ongeveer 500 namen; de veel oudere Hakluyt Society in Engeland bracht het in het tiende jaar van haar bestaan tot niet meer dan 300.Inderdaad zijn de werken, door stichtingen als de genoemde uitgegeven, geen lectuur voor Jan en Alleman, doch het is niet zoo eenvoudig hetgeen in pittigen zeventiende-eeuwschen stijl voor het toenmalige groote publiek geschreven werd, om te werken tot hedendaagsche populaire leesstof.Wat door direct bij de gebeurtenissen betrokkenen te boek gesteld werd was toen van actueel belang en is thans geschiedenis, dus droog en ongenietelijk voor hen voor wie lezen slechts een ontspanning of een amusement is.Schrijvers als Mr. Van B. zorgen daarom voor "toekruiden", om de spijs aantrekkelijk te maken; "Hollandsche kapers op Amerikaansche kusten" geeft ook wel andere toekruiden dan die welke op p. 5 worden aangekondigd.Soms wil de schrijver de belangstelling gaande houden door te vertellen (en ook door de illustraties te laten zien) hoe het er hier en daar op die Amerikaansche kusten in den tegenwoordigen tijd uitziet, soms ook maakt hij grapjes, door b.v.de waarschuwing te laten hooren (p.112) dat de geographische naam Honduras (bij ons te lande vaak verkeerdelijk uitgesproken Honduras) niets te maken heeft met hondenras.Doel en vorm der uitgave van een boek als het hier besprokene laten niet toe eenigszins diep op de dingen in te gaan, wat ten gevolge heeft dat de lezer met wat meer dan oppervlakkige be-langstelling zich niet altijd voldaan zal voelen.Hem zullen af en toe feiten, zooals zij medegedeeld worden, niet geheel duidelijk zijn, of zijn nieuwsgierigheid naar het hoe en waarom zal onbevredigd blijven.En ten slotte, de auteur bepaalt er zich niet toe, op zich zelf kleurige tafereelen uit onzen expansietijd critiekloos aan zijn lezers aan te bieden, hij geeft ook beoordeelingen en uitspraken, welke niet ieder zonder voorbehoud zal aanvaarden.Dit alles prikkelt tot het leveren van commentaar, waartoe een boekbespreking in ons tijdschrift een geschikte gelegenheid lijkt te bieden.Zulks moge hieronder geschieden; op den voorgrond zij gesteld dat niet bedoeld is uiting te geven aan gebrek aan waardeering voor Mr. Van B.'s werk.Dat onze wereld (bedoeld is onze aarde) een bol is (p.13) behoefde niet door Columbus aannemelijk gemaakt te worden; zij wier hulp de beroemde Genuees van noode had wisten dit zelf wel en hoe de groote massa er over dacht -aangenomen dat er in dit opzicht een populaire overtuiging leefde -deed niets ter zake.Althans de rondheid der bovenste aardhelft werd niet betwist en de Portugeezen waren goed op weg ook de benedenste bekend te maken.Dat men nog niet geloofde aan de aswenteling, zoodat de polen niet de aard-, maar de hemelpolen waren, linie en keerkring lijnen, uitgezet aan den hemel, niet op de aardglobeen zich nog niet kon gewennen aan het denkbeeld der tegenvoeters, zijn andere kwesties.Ook is het nog altijd een open vraag of Columbus inderdaad slechts beoogde een westelijken zeeweg naar Oost Azië te vinden (p.14) -en geen andere, verder reikende doeleinden nastreefde.Dat hij, teleurgesteld door wat hij aan den overkant gevonden had, of liever door wat hij er niet gevonden had, tot zijn dood volgehouden zou hebben dat het door hem ontdekte gebied toch tot die verre oostelijke wereld van Marco Polo behoorde, bewijst niet veel.Waarom zouden juist de Spanjaarden in West Indië zijn blijven aannemen dat Indië niet ver ten westen van Tierra Firme zou liggen (p.119)?Columbus zal op zijn vierde reis allicht van de inboorlingen op den Isthmus iets vernomen hebben aangaande de Zuidzee en hij heeft tevergeefs gezocht naar een doorgang, om verder naar het Westen te kunnen zeilen.Volgende conquistadores echter waren vooral belust op het goud, van hetwelk eerst Columbus en daarna Vasco Nüfiez de Balboa hoorden spreken; voor Indische specerijen kunnen zij moeilijk belangstelling gehad hebben en daarvan kwam bovendien in 1503 de eerste lading via de Kaap de Goede Hoop in Portugal aan.
Author: W.R. Menkman
Institution: University of Curaçao
Language: Dutch
Subfield: Transportation
Field: Social Sciences
Domain: Social Sciences
Open Access status: hybrid
OpenAlex ID: W1985058556
