Year: 1922
Type: article
Abstract: De naam "Essequebo", die in verschillende vormen gegeven wordt in de vroegste geschriften, wordt in verband met Nederlandsche ondernemingsgeest het eerst genoemd in de "Verclaring van de onbekende ende onbeseylde Voiage van America", gedaan en beschreven in de jaren 1597 en 1598 door Anton Cabeljau.Cabeljau, die Commies-Generaal van deze reis was, noemt "Dessekebe" als een der rivieren stroomende tusschen Corentine en Orinoco die voorbij gevaren werden zonder andere nasporingen, "deur dijen onsen tijt seer verloopen ende datter nijet veel te halen en was, zoo ons d'indianen wijs maecten".Cabeljau's reis gaf aanleiding tot een petitie aan de Staten-Generaal, houdende verzoek Guiana te mogen koloniseeren.Wanneer aan dat verzoek voor het eerste gevolg werd gegeven is thans misschien niet uit te maken, doch het schijnt zeker dat particuliere onderneming voorafging aan het officiëele optreden dat belichaamd werd in den patentbrief aan de Nederlandsche West-Indische Compagnie verleend in 1621.Over den juisten datum van de eerste nederzetting te Essequebo is scherp van gedachten gewisseld, doch het is waarschijnlijk een dier vraagstukken die nooit zullen worden opgelost.De eenige bepaalde mededeeling dienaangaande is vervat in een handschrift uit de pen van Majoor John Scott, aardrijkskundige van Karel II, omstreeks 1669, welk stuk de stichting toeschrijft aan Groenewegen, die in of kort na 1616 zou hebben opgericht "een fort op een klein eiland, 30 mijl opwaarts de rivier Disseekeeb, en dat uitzicht gaf in twee groote zijtakken van die beroemde rivier".Dit is blijkbaar eene beschrijving van de plaats van Fort Kijk-overal, dat ongeveer een eeuw lang het middelpunt was der Nederlandsche nederzetting.voorbestemd was zulk een beteekenisvolle rol te spelen in het westelijk deel van het koloniaal gebied van zijn land, in streken, die, ofschoon slechts schaars bevolkt, zulk een toekomst beloofden, dat zij opwekten de afgunst van den trotschen Spanjaard en den naijver van den hardwerkenden Brit, en de invloed dier twee volken -vaak dringend in de hoogste mate -heeft een groote rol gespeeld in het leven van den Directeur-Generaal.Geboren te 's-Hertogenbosch op den 12en October 1704 trad Laurens Storm van 's-Gravesande op zijn 17e jaar in het leger, vermoedelijk als een wat kort-aangebonden jongeling, want in zijne brieven gewaagt hij telkens van zijn gewone openhartigheid en in zijn latere leven spreekt hij van een twist dien hij in 1730 had met den vader van zijn stiefmoeder, Adriaan van Bronkhorst, Burgemeester van Utrecht, in de volgende bewoordingen: "Ik ben van een oude Hollandsche famielje oorspronkelijk, een geboore Bossenaar, maar altoos goed rond goed Zeeuwsch geweest, voor niemand bevreesd."... .Ik hebbe altoos mijn werk gemaekt van de oude Hollandsche opregtheyd te volgen .... in mijn ruim 17 jaarige militairen dienst altoos voor de vuyst te werk gegaan, noyt ontsien mijn opperhoofden (echter met verschuldigde eerbied) opregt de waarheyd te seggen sonder omweegen; hier door heb ik haare agting verworven en heb nog den brief leggen van mijn oude 82 jaarige Colonel den Generaal van Pallant, wanneer zijn Excellentie kennis gaff van mijn resolutie om naar Essequebo te gaen en bedankte voor alle genotene weldaden, mij d' eer aandeed te schrijven dat hem mijn avancement hartelijk lieff en aangenaam was maar teffens hem seer leed deed eene sijner beste officieren te verliesen.Wijlen Syne Doorluchtige Hoogheyd (Willem IV) hoog loffelijker gedagtenisse de moeyte wel hebbende willen neemen alle mijne brieven aan U.E.G.A. te leesen (dit moet in 1750 geweest zijn), deed mij d'eer aan te seggen "UE. is nog al den ouden Storm van 's-Gravesande, Jan Regtuyt", doelende op het geval dat ik 20 jaaren te vooren in Utrecht daar S. D. H. studeerde met mijn stieffgrootvader den Borgermeester van Bronkhorst S. D. aangaende gehad hebbe waardoor mijn avancement onder de voet wierp daar bij tvoegende ,,was UE. hier gebleven was UE. immers nu een van onse Generaels"."En dus verkoos Storm, toen hij het leger verliet, de West-Indische Compagnie in haar kolonie Essequebo te dienen als secretaris en boekhouder en legde als zoodanig te Middelburg den eed af in October 1737.Van dien tijd af zou hij gehoorzaamheid hebben te betoonen jegens een lichaam van bewindhebbers, die hem somtijds jarenlang buiten de middelen lieten om hun instructies uit te voeren; zou hij genoodzaakt zijn gehoorzaamheid af te dwingen van slecht gevoede, onwillige slaven, van zelfzuchtige en niet-loyale kolonisten.
Author: J.A.J. de Villiers
Language: Dutch
Subfield: Anthropology
Field: Social Sciences
Domain: Social Sciences
Open Access status: hybrid
OpenAlex ID: W2014978364
