Year: 2012
Type: article
Abstract: There are many structural diff erences between the western and the eastern dialects of Dutch.It has long been assumed that western Dutch arose from inland Franconian being adopted by speakers of Anglo-Frisian or Ingvaeonic.This linguistic shift fi rst took place in Flanders, a few centuries later in South Holland, and later still in North Holland.In North Holland, Frisian gave way to (southern) Hollandish after 1200.This means that apparent traces of Frisian in the North Holland dialects do not necessarily go back to language contact with the local variety of Frisian itself.They may also have entered the dialects indirectly, through the Hollandish variety which was adopted from the south after 1200.The shift from Frisian to Hollandish may have taken several centuries to complete, in particular in rural areas.Ingweoons maal Frankisch is Hollands Een belangrijke dialectgrens in het Nederlands is die tussen Kustnederlands en Binnennederlands.Sinds de baanbrekende behandeling door Goossens (1980) mogen we die dialectgrens identifi ceren met de grens tussen de aanwezigheid, ten oosten van de grens, en de afwezigheid, ten westen, van de zogeheten secundaire umlaut.In het westen zegt men bijvoorbeeld groen, geloven, bakker, huis en huisje, ik loop en hij loopt, tegenover in het oosten greun (of gruuën, green, etc.), geleuven, bekker, hoes maar huuske, ik loop maar hij löpt.Met andere woorden, het oostelijk Nederlands doet mee met de umlaut van de Germaanse achterklinkers *a, *ō, *ū, *au, en het westelijk Nederlands niet.De isoglossen 2 tot en met 5 op kaart 1 tonen aan dat het niet om een gesloten isoglossenbundel gaat, maar om verschillende zuidwest-noordoost lopende isoglossen in het Nederlandse taalgebied.
Author: M.A.C. de Vaan
Language: Dutch
Subfield: Linguistics and Language
Field: Social Sciences
Domain: Social Sciences
Open Access status: green
OpenAlex ID: W2586747787
