Year: 2017
Type: article
Abstract: Wie een beetje vertrouwd is met de streek tussen Aalst en Brussel en bovendien oog of oor heeft voor plaatsnamen, wordt getroffen door een overweldigende uitheems aandoende namenpracht: Kavee, Kokerij, Kravaal, Montil, Mutsereel, Okaai, Overnelle, Parijs, Piermont, Ransenier, … Al decennia houden die namen de aandacht bezig van toponymisten en historici.Zo sneed Jan Lindemans het probleem van de 'Romaanse enclave' tussen Aalst en Brussel een eerste keer aan in zijn Romaansche plaatsnamen te Assche van 1930, een tweede keer in zijn Toponymie van Asse van 1952 en een derde keer in zijn Nog over Romaanse plaatsnamen in de streek van Asse in 1953.In alle publicaties verdedigde hij de opvatting dat al die Romaanse toponiemen naamkaartjes waren van Waalse steenhouwers die er door de abdij van Affligem waren aangetrokken om voor haar plaatselijk kalkzandsteen te delven en te bewerken (1) .Naderhand zouden die steenhouwers dan tevens het landbouwbedrijf (1) 'Het is waarschijnlijk dat de monniken van Affligem de eerste ontginners waren van natuursteen in deze gewesten.Het ligt dan ook voor de hand dat zij, voor een werk dat hier nog geheel onbekend was, een beroep deden op Waalsche werkkrachten.Aan 't hoofd der Affligemse kloostergemeente stond toen Fulgentius, die vroeger monnik was in het St.-Agericusklooster te Verdun.Hij zal wel geweten hebben waar hij bekwame steenhouwers kon vinden voor den bouw van zijn kerk.De steengroeven van Thiaumont, Habay, Chassepiere, Maizeroule, zijn nu nog bekend' (Lindemans 1930, 43); m.b.t de datering van het fenomeen: 'om 1085, juist toen met bouwen in steen begonnen werd' ( Lindemans 1952, 63); '… dat die namen ingevoerd werden, voor 't grootste gedeelte, door Waalse steenbewerkers, aangeworven door de abdij van Affligem, voor het ontginnen van natuursteen, vanaf het laatste kwartaal van de 11 e eeuw; doch dat er, in latere tijden, ook Picardische woorden aangebracht werden, steeds in verband met de steengroeven' (Lindemans 1953, 197).208 luc van durme tot het hunne hebben gemaakt.Al in 1937 brak Franz Petri in zijn indrukwekkend maar controversieel boek Germanisches Volkserbe in Wallonien und Nordfrankreich Lindemans' opvatting af en betoogde dat de Romaanse namen van Asse en omstreken wortels tot in de Romeinse tijd hadden en deel uitmaakten van een noordelijke uitloper van de Galloromania, d.w.z.van het immense taalgebied dat overeenkomt met het huidige Frankrijk.Die uitloper zou dan mettertijd tot een taaleiland zijn verschrompeld, met de ondergang als uiteindelijk gevolg (2) .Maurits Gysseling was dezelfde mening toegedaan, eerst in 1955 (3) , dan in zijn Toponymisch Woordenboek van 1960 en vervolgens in zijn hoofdstuk Germanisering en taalgrens in deel 1 van de 'Algemene Geschiedenis der Nederlanden' van 1981, met een kaart (hier kaart 1).Twee diametraal tegengestelde visies dus: een tot de Romeinse opklimmende Galloromania ascania tegenover een in de middeleeuwen door migratie ontstane en snel weer uitgedoofde (2) 'Keltoromanische Relikte in den Niederlanden: Nicht nur an den Rändern des niederländischen Sprachgebiets, sondern in seimem Innern ist mit erheblichen Ausgleichsbewegungen zu rechnen.Zeugnisse dafür sind die vorgermanischen Namenspuren, die auch hier nicht so spärlich sind, wie man wohl manchmal angenommen hat.Sie scheinen am verbreitesten zu sein in der Umgegend des brabantischen Städtchens Assche, das mit seiner Lage am Endpunkt der von Bavai herüberführenden sogenannten chaussée verte in römischer Zeit eine gewisse strategische Bedeutung besessen haben dürfte.Wir finden hier Weiler-und Flurnamen keltoromanischen Ursprungs wie Prudeel (< pradella 'kleine Weide'), … Nach der Meinung Lindemans' hätten wir es hier überall mit den Spuren mittelalterlicher romanischer Kolonisten zu tun, die sich gegen Ende des 11.Jahrhunderts hier festgesetzt hätten … Aber hier in Assche haben wir … mit den Spuren einer an Ort und Stelle ansässig gebliebenen keltoromanischen Restbevölkerung zu tun, wie sie auch im Rheinland verschiedentlich nachgewiesen worden sind' (Petri 1937, 957).(3) 'Slotsom is dat minstens tot het eind van de 8 e eeuw de streek van Asse en misschien de hele streek tussen Dender en Zenne in zekere mate tweetalig Germaans-Romaans is geweest zoals bv.de streek van Sint-Truiden-Tongeren-Aken.Daar Asse een Romeins centrum was, hoeft zulks niet te verwonderen.Dat enkele hypothetische Waalse steenhouwers ca.1085-1120 die menigvuldige Romaanse namen in een zo uitgestrekt gebied zouden geïmporteerd hebben, zoals Lindemans meent, is a priori onwaarschijnlijk en fonetisch uitgesloten.Petri had gelijk', met de volgende verklaringen: 'Koereit < *corylētum, Monteneie < *montanētam, Perous < *petrōsum, Mutsereel < *mâcerellum, Domont < *Theudwaldi montem en Anselier < *Ansuleir < *Ansu-hlæri '(Gysseling 1955).luc van durme Vooraf werkte ik mij in het fenomeen van Romaanse toponiemen op huidige Nederlandstalige bodem in door op zeven vergelijkbare regio's de aanwezigheid van Romaans namengoed te bestuderen.Bij deze studieronde betrok ik de bij het zuiden van Nederlands-Limburg aanleunende streek van Aken en Overmaas, alsmede het kwistig met Romaanse namen bezaaide Moezel gebied.Ik verzamelde en onderzocht alle Romaanse en (tot in de verste verte) Romaans ogende namen in dat gebied één voor één.Ik besteedde hierbij uitzonderlijke aandacht aan de klankverschijnselen die al die namen bevatten om zo, waar mogelijk, te peilen naar hun verwantschap en dialectologische oorsprong in de Galloromania en tevens naar het moment waarop de evolutie van die namen niet langer was verlopen volgens de wetten van de Romaanse klankleer.Concreet poogde ik te achterhalen wanneer de 'Romaanse vlek' in en om Asse op het Diets overgeschakeld was.En: ging het wel om een 'Romaanse vlek' of veeleer om een Diets-Romaans menggebied of zelfs gewoonweg om een aloud Diets gebied dat in latere tijd met Romaanse namen bezaaid was?Ik besteedde aandacht aan de wijze waarop men de vroegst vermelde Romaanse namen in de bronnen aantreft: als plaatsnaam zonder meer of als plaatsnaam vervat in een persoonsnaam, al dan niet gerelateerd aan een eigendomstitel.Een ander aandachtspunt vormde de verhouding van de Romaanse en Dietse namen en tevens van de Romaanse namen onderling.In het bijzonder m.b.t.Jan Lindemans' opvatting aangaande de door Affligem om hun expertise aangetrokken Waalse steenhouwers onderzocht ik de topografische inplanting van de Romaanse namen: konden die namen al dan niet gekoppeld worden aan plaatsen waar kalkzandsteenlagen in de ondergrond te verwachten zijn?Vervolgens vergeleek ik de Romaanse vlek rond Asse met door eerder onderzoek bewezen Germaans-Romaanse mengzones en (schier)eilanden zoals Aken-Vaals en Overmaas, de streek van Sint-Truiden en vooral de Mosella romana of het grote relictgebied van de Romaanstalige wijnboeren tussen Trier en Koblenz.
DOI: 10.21825/hctd.88803
Author: L. Van Durme
Language: Dutch
Subfield: Language and Linguistics
Field: Arts and Humanities
Domain: Social Sciences
Open Access status: bronze
OpenAlex ID: W4391241963
